Nieuwe permacultuurcursus

Door: René Röell

In oktober start de nieuwe permacultuurcursus bij Permacultuur Centrum Nederland. Daar zijn we best wel trots op want we hebben veel tijd gestoken in het maken van een nieuw ontwerp voor de cursus. Zowel de inhoud als de vorm hebben we aangepast. Daarmee hopen we de permacultuurfilosofie nog beter te kunnen overdragen en dan met name de achterliggende principes van systeemleer en ontwerpmethodologie. Daarnaast willen we bereiken dat die filosofie breder toepasbaar wordt en dat er naast de traditionele (moes)tuinontwerpen meer aandacht komt voor het ontwerpen van sociale en economische systemen.

Bij de vernieuwing hebben we ons vooral laten leiden door de vragen: Wat heeft deze tijd nodig? En hoe kan permacultuur daar een antwoord op geven?

Voor ons staat inzicht in de samenhang der dingen voorop. Om geïnformeerde keuzes te maken is het noodzakelijk om te begrijpen waar we vandaan komen en hoe we op dit punt beland zijn. Hoe hebben de Aarde en het leven op Aarde zich in co-evolutie ontwikkeld? Welke keuzes heeft de mensheid in haar geschiedenis gemaakt? Welke economische modellen hebben ons denken over welvaart en ontwikkeling in de laatste eeuwen vorm gegeven? In deze tijd is het vooral nodig dat we het verband gaan zien tussen de vele problemen waar we mee kampen.

Op de tweede plaats denken wij dat er veel verbeeldingskracht nodig is om met nieuwe antwoorden te komen. “You can analyse the past, but you have to design the future” , is een bekende uitspraak van de Britse psycholoog Edward DeBono. Hij bedoelde daarmee dat we onze toekomst naar onze wensen en verlangens dienen in te richten en niet op basis van extrapolatie uit het verleden. Meer van hetzelfde ofwel lineair, oorzaak-gevolgdenken gaat ons niet gelukkiger maken. Het is weliswaar gangbaar en vertrouwd en je weet wat je krijgt maar dat is in deze tijd nu juist het probleem. We hebben geen technische oplossingen nodig, maar creatieve oplossingen die voortkomen uit het scheppende deel van ons brein. Wat willen we eigenlijk? In wat voor wereld willen we leven?

Vanuit de permacultuurfilosofie streven we naar herstel en regeneratie van natuurlijk en sociaal kapitaal. Maar dit is nog te algemeen; het hoe en wat vraagt verbeeldingskracht en vindingrijkheid. En dat houden we in de opleiding voortdurend in ons achterhoofd.

Ten slotte vinden wij handelingsperspectief erg belangrijk. We willen met permacultuur handvatten bieden om de algemene zorgen over Aarde & mensheid om te zetten in positieve actie. Daarbij blijkt dat succes meer en meer een kwestie is van goed samenwerken. Zowel bij het maken van een ontwerp als bij het uitvoeren van een ontwerp werken we samen; met huisgenoten, met buurtgenoten, met gebruikers, met stakeholders, met klanten en met de rest van de samenleving. De premissen voor goede samenwerking zijn daarom net zo belangrijk als de premissen voor het ontwerp zelf.

Daarom hebben we ook de vorm van de cursus vernieuwd.

  • De cursus bestaat uit drie blokken; dat levert voor deelnemers meer flexibiliteit op.
  • Docenten van de cursus werken samen, wat een garantie is voor meer dynamiek en afwisseling.
  • We hebben financiële drempels zoveel mogelijk weggenomen; iedereen moet kunnen meedoen!
  • En op de lesdagen zal het veel gaan over uiteenlopende voorbeelden uit de praktijk van alledag. Wij willen ècht de verlammende kloof overbruggen tussen wat we dagelijks zien en ervaren en wat we denken dat wenselijk is!

We zijn trots op het resultaat tot zover maar we realiseren ons dat het zeker niet af is; zoals met elk permacultuurontwerp is de praktijk de belangrijkste toetssteen. We nodigen deelnemers aan de cursus uit om bij te dragen aan verbetering en doorontwikkeling.

Onkruid

Door: Marc Siepman

We kijken naar onze inheemse planten, waarvan onze inheemse vogels en insecten afhankelijk zijn, alsof ze per definitie ongewenst zijn. Het is dan ook niet zo’n wonder dat het slecht gaat met de biodiversiteit.

Een veelgehoorde definitie van onkruid is ‘een plant die staat op een plek waar jij hem niet wilt hebben’. Als je zo kijkt, dan is er ontzettend veel onkruid, want hoe vaak komt het voor dat je denkt: “Stonden hier maar margrieten” en dat er een tijdje later inderdaad een bosje stond?

Mijn favoriete definitie van onkruid is ‘een plant waarvan je de functie nog niet hebt ontdekt’. En dan zie je meteen dat ‘onkruid’ een mening is, een waardeoordeel. Als een plant spontaan opkomt, zou je eerst uit moeten zoeken hoe hij heet en welke functies hij vervult. En dan ontdek je misschien dat hij eetbaar of zelfs geneeskrachtig is, een waardplant of voedselplant van insecten en/of vogels, dat hij de bodem verbetert, erosie voorkomt, voedingsstoffen immobiliseert of uit diepere bodemlagen ophaalt en weer beschikbaar maakt, noem maar op. En misschien ontdek je dat het eigenlijk gewoon een heel mooie plant is, nu je het stempel ‘onkruid’ eraf hebt gehaald.

En zelfs als je geen enkele functie kunt ontdekken, is een plant toch heel belangrijk: hij legt energie van de zon vast door middel van fotosynthese en voegt dit toe aan het systeem. Zonder planten hebben de andere organismen in een systeem niets te eten. Ongeveer 82% van de biomassa op Aarde is plantaardig (planten, bomen, algen en cyanobacteriën) en de rest van het leven op Aarde is daarvan afhankelijk. Hoe meer plantaardige biomassa, hoe meer organismen er kunnen leven.

Maar het gaat niet alleen om de kwantiteit, het gaat ook om de kwaliteit en zeker ook om de diversiteit. Hoe meer verschillende soorten planten en hoe meer genetische diversiteit binnen de soorten, hoe meer verschillende soorten andere organismen er kunnen leven. En al die soorten gaan relaties aan, waardoor er een complex web van onderlinge afhankelijkheid ontstaat. En complexiteit is uiteindelijk de basis van veerkracht: dat complexe web zorgt ervoor dat een systeem tegen een stootje kan, dat er telkens weer een dynamisch evenwicht ontstaat.

We moeten weer leren om de diversiteit aan planten te waarderen, ook al begrijpen we misschien niet wat ze komen doen in ons leven. In plaats van te oordelen, kunnen we beter de controle loslaten en ons verwonderen over de enorme schoonheid van alles wat spontaan kan groeien en bloeien zonder onze bemoeienis. Zeg nou zelf: jij bloeit toch ook helemaal op als er geen controle wordt uitgeoefend op je?

Samenwerken aan een omslag

Door: Caroline Siepman

In het weekend van 18 en 19 mei vierde Omslag, Werkplaats voor Duurzame Ontwikkeling, haar 25-jarig jubileum. Zij werken al 25 jaar aan de omslag die er plaats moet vinden om een bewoonbare planeet achter te kunnen laten voor onze kinderen en kleinkinderen. Dat die omslag er moet komen dringt steeds verder door en de noodzaak wordt ook dringender nu het berichten over klimaatverandering, verlies van biodiversiteit, welvaartsziekten en ongelijkheid regent. Nog even en we moeten de put dempen als het kalf al verdronken is.

Ook de permacultuurbeweging bestaat alweer ruim 40 jaar. Deze beweging gaat ook actief aan de (om)slag. Eerst was de permacultuurmethode vooral gericht op ecosysteemherstel en -regeneratie, maar steeds meer wordt de achterliggende visie ook breder ingezet zoals op sociaal en economisch vlak.

Hoewel je soms het idee kunt hebben dat je in je eentje de kar aan het trekken bent, of alleen bent met je zorgen, angst en verdriet over de crises die op ons afkomen, staan er wel degelijk hele gemeenschappen achter je. Zowel Omslag als de permacultuurbeweging als al die andere prachtige grassrootsinitiatieven die er bestaan zijn voorbeelden van samenwerkingsprojecten. Je staat er niet alleen voor, we doen het samen.

Dat klinkt natuurlijk prachtig, maar samenwerken is niet altijd leuk en zeker niet altijd makkelijk. Zo bleek ook maar weer tijdens de workshop ‘Samen werken aan samenwerken’ die ik tijdens het genoemde jubileumweekend van Omslag gaf voor een groep van ongeveer 16 mensen. Ik vroeg de deelnemers om op een denkbeeldige lijn een plekje te zoeken dat paste bij je gevoel of idee van samenwerken. Het ene uiteinde van de lijn symboliseerde ‘samenwerken is geweldig, ik werk het liefst samen’, het andere uiteinde ‘samenwerken is lastig, ik werk het liefst alleen’. Al snel ontstond er, zoals verwacht, een concentratie van deelnemers rond het midden van de denkbeeldige lijn. Samenwerken heeft inderdaad zowel voor- als nadelen. Met behulp van de uitgangspunten van permacultuur kunnen we de organisatie echter zo ontwerpen dat de samenwerking ook echt meerwaarde oplevert.

Tijdens de workshop vertelde ik het een en ander over vertrouwen, zelforganisatie en communicatie die een grote rol spelen bij dit ontwerp. Eigenlijk is echter het eerste wat we ons moeten realiseren wel dat samenwerken gewoon niet altijd makkelijk en leuk is. Als er dan moeilijkheden voor de deur staan kun je die verwelkomen en binnenlaten, je had ze immers al verwacht?! Je raakt niet in paniek en zo is er ruimte voor heldere communicatie over de moeilijkheden. Misschien zelfs zie je de moeilijkheden niet meer als moeilijkheden, maar als kansen om verder te groeien. ‘Gedoe komt er toch’ is een titel van een boek over organisatieverandering. Als je dat weet kun je erop voorbereid zijn. Zo kun je grote conflicten voorkomen door vertrouwen op te bouwen, vertrouwen om te durven zeggen wat je bezighoudt, wat je wel of niet bevalt in de samenwerking. Als er wel gedoe aan de hand is, maar niet op tafel wordt gelegd, gaat het etteren en ontstaan er later grotere problemen.

Samenwerken geeft dus soms gedoe, maar als je hier goed mee omgaat, kan dat leiden tot iets moois, namelijk synergie: één plus één maakt drie!

En juist dat hebben we nodig als we samen werken naar een zeer noodzakelijke omslag van schaarste naar overvloed, van controle naar vertrouwen en van afgescheidenheid naar verbinding.

Kan de honingbij naast de wilde bij leven?

Door: Jan Schenk

Het gaat niet erg goed met de bijen, en dan hebben we het met name over de wilde bijen. Honingbijen worden gehouden door imkers die ervoor zorgen dat ziektes bestreden worden en die de bijen bijvoeren met suikerwater als er te weinig dracht is. Wilde bijen profiteren niet van die luxe.

Nederland kent 360 soorten wilde bijen, maar liefst 188 hiervan staan op de rode lijst. Dit is ruim 52%. In 2003 was dit 49%.

De belangrijkste oorzaak voor de problemen is de verandering van ons landschap. Door de schaalvergroting in de landbouw zijn houtwallen, heggen en greppels verdwenen. Deze landschapselementen zijn belangrijk voor wilde bijen, want in dit soort kleine hoekjes vinden zij nestelgelegenheid en voedsel (nectar). Dit moet op korte afstand van elkaar liggen omdat wilde bijen maar korte afstanden kunnen overbruggen.

Door vermesting wordt de bodem verrijkt met meststoffen en neemt het aantal plantensoorten af, met name de voor bijen belangrijke bloeiende soorten. Verder wordt er in de landbouw gebruik gemaakt van bestrijdingsmiddelen tegen schadelijke insecten, schimmels en onkruiden.

Is de honingbij een concurrent van de wilde bij of kunnen ze ook naast elkaar leven? Ik denk het laatste, maar misschien kijk ik er als imker wel met een gekleurde bril naar.

Eigen observatie

In 2016 heb ik tijdens de bloei van de aardbeien een volkje op de tuin gezet dat ik tijdelijk even kwijt moest. Voordat ik die kast op de tuin zette, viel het mij op dat er een grote diversiteit aan wilde bijen op de aardbeien te vinden was. Ook de honingbijen gingen massaal op de aardbeien vliegen maar tot mijn verbazing bleven de wilde bijen dat ook doen. Dat jaar had ik mooie egale aardbeien die gretig aftrek vonden bij mijn klanten.

In 2017 heb ik geen bijenkast op de tuin gezet, met als resultaat kleinere, minder goedgevormde en niet volledig uitgegroeide aardbeien. Aardbeien hebben meerdere stampers en op elke stamper moet stuifmeel komen. Gebeurt dat niet, dan krijg je minder goed gevormde aardbeien.

Vorig jaar, in 2018, heb ik er daarom voor gekozen om er wel weer een bijenkast neer te zetten met als resultaat mooi gevormde aardbeien. Naast de honingbijen waren er, net als in 2016, ook weer volop wilde bijen. Na de aardbeienbloei zijn ze volop op de bloeiende pastinaak gaan vliegen. Ook hier naast de honingbijen veel wilde bijen en zweefvliegen.

Observatie Amsterdamse Bos

In het Amsterdamse Bos, het grootste stadsbos van Nederland, mogen Amsterdammers op aanvraag hun bijenkasten neerzetten. Hiervoor zijn drie stroken met tien plekken gereserveerd. In totaal is er in dit 935 hectare grote bos dus plaats voor dertig kasten. Daarnaast staan er nog illegaal een aantal kasten in het Bos en staan er nog bijen in de tuinen vlakbij het Bos. In totaal zijn er dus zo’n honderd volken die hun voedsel uit het Amsterdamse Bos halen.

Onderzoekers Arie Koster en Anneke Teepe hebben geïnventariseerd hoeveel soorten wilde bijen er in het bos voorkomen en of honingbijen en wilde bijen elkaar niet het bos uit concurreren.

In vergelijking met 1995 is het aantal wilde bijen in het Amsterdamse Bos enorm toegenomen. Zo zijn er vier bijensoorten ontdekt die nieuw zijn voor Amsterdam. In totaal zijn er 40-50 verschillende soorten te vinden. “Mooie getallen”, aldus de onderzoekers. Uit dit onderzoek blijkt dat honingbijen en wilde bijen aardig in balans zijn met elkaar en het bloemenaanbod. Op de website van de gemeente Amsterdam is het volledige artikel te lezen.

Wat kunnen we zelf doen?

Er zijn altijd wel wat hoekjes in onze tuin te vinden die we kunnen laten verrommelen, zodat wilde bijen hier nestgelegenheid kunnen vinden. Houtwallen en takkenrillen zijn ook belangrijke nestplekken en schuilplaatsen, niet alleen voor wilde bijen maar ook voor andere nuttige insecten, vogels en zoogdieren.

Zorg voor diversiteit aan nectar, dus aan bloeiende bloemen. Het Tübingermengsel is een bekend bloemenmengsel voor bijen en vlinders maar bevat veel uitheemse plantensoorten. Beter is een wilde bloemenmengsel van De Bolderik of de Cruydt-Hoeck.

Een bijenhotel is ook een optie, maar is interessant voor een beperkt aantal soorten metselbijen. Er zijn ook veel bijensoorten die onder de grond nestelen. Bij voldoende rommelige plekjes, houtwallen en takkenrillen is er nestgelegenheid genoeg te vinden!

Over de auteur:

Jan Schenk is natuurlijk imker en houdt zijn bijen op een bij-vriendelijke manier. Op zijn website staat hoe hij met zijn bijen omgaat. Reacties op deze blog zijn welkom: jan@permacultuur.org.

We zitten in een crisis en de oplossing ligt dicht bij huis

door: René Röell

Zomaar een greep uit de recente gebeurtenissen. Elk op zich verontrustend genoeg en een crisis waardig. Maar is er ook verband?

De vraag naar het onderliggende patroon is belangrijk want steeds meer dringt het besef door dat de problemen niet in afzondering kunnen worden opgelost. Niet met een reductionistische blik dus maar met een kijk op het geheel. Een visie of zoiets. “Change the system, not the climate“, roepen klimaatactivisten. En ook de gele hesjes zijn op meer uit dan het doorstrepen van een enkele belastingmaatregel. Zij willen verandering, perspectief, zicht op een betere toekomst.

Het onderliggende patroon is dat van een politiek-economisch systeem dat botst met de ecologische en sociale realiteit. Niets kan oneindig groeien, ook de economie niet. Vroeg of laat botst dat met de fysieke of sociale werkelijkheid. Er treden beperkende factoren op.

Die beperkende factoren zijn er natuurlijk al langer. Biodiversiteitsverlies, economische – en klimaatvluchtelingen, verlies van bodemvruchtbaarheid, klimaatadaptatie, om er enkele te noemen, beïnvloeden het systeem nu ook al maar hebben weinig direct effect op de economische groei. Sterker nog, vaak dragen ze ertoe bij, omdat de kosten door de overheid worden gedragen. Hun invloed op het systeem wordt in elk geval niet als zodanig erkend en leidt al helemaal niet tot vraagtekens bij het systeem. De problemen worden geïsoleerd gezien en als hinderlijke bijkomstigheden (externaliteiten) afgedaan.

Wat er nu anders is, is dat de olifant in de kamer niet langer ontkend kan worden. Bij velen ontstaat het besef dat het zo niet langer kan. De ecologische en politieke realiteit begint door te dringen. Klimaatactivisten en gele hesjes trekken in die zin gelijk op.

Toch zal dit besef nog niet tot aanpassing leiden. Het probleem is wat je in systeemtheorie policy resistance noemt: de neiging van een systeem om té stabiel te zijn en daardoor immuun te zijn voor veranderingen. De stakeholders van het systeem, de mensen die in het hart van het systeem werkzaam zijn, hebben collectief te veel belang bij het handhaven van de status quo. Het complex van politiek, media, bedrijfsleven, wetenschap en semi-overheidsorganisaties, aangevuld met een zwerm van lobbygroepen, zal zich tot het uiterste verzetten tegen aanpassing. Ten dele komt dit voort uit eigenbelang – want wie heeft er geen belang bij economische stabiliteit? Ten dele is het hún opvatting van het algemeen belang. Mario Draghi, president van de ECB, verdedigde het programma van kwantitatieve verruiming, met het argument dat de euro kost wat kost gered moest worden. Het uiteenvallen van de eurozone was een te diepe afgrond. De maatregel heeft rust gebracht, zelfs economisch herstel, maar ook de onvermijdelijke confrontatie met de werkelijkheid uitgesteld. De afgrond is nog wat dieper geworden en we koersen er nog steeds op af.

Aan de inertie van het systeem om te reageren op overduidelijke signalen vanuit de ecologie en het sociale domein, valt niet zoveel te doen. Althans niet direct. Het is duidelijk dat het systeem bijstelling vraagt. In een nieuwe orde zal de ecologische realiteit prioriteit moeten hebben. Het leven op aarde en de aarde zelf met zijn biosfeer, zijn gedurende 3,5 miljard jaar geco-evolueerd en dus intrinsiek van elkaar afhankelijk. Dat betekent dat we ons voor ons voortbestaan zullen moeten voegen naar deze balans.

In de nieuwe orde zal ook de economische activiteit ondergeschikt moeten zijn aan de sociale realiteit. Handel en commercie moeten de samenleving dienen en niet andersom. Denk niet dat het ooit goed zal gaan met de mens, als de stuitende ongelijkheid van de welvaartsverdeling blijft bestaan. De economie moet terug in zijn hok.

Maar een nieuw paradigma is niet maakbaar. Het ontstaat doordat het nieuwe aantrekkelijker is dan het oude. En dat betekent dat we in hoofdlijnen drie dingen kunnen doen.

Voorop staat dat we binnen de eigen invloedssfeer – dichtbij huis dus – kunnen experimenteren met het nieuwe. Met het ontwikkelen van het soort ecologische geletterdheid en sociaal gevoel dat in een nieuw systeem leidend zal moeten zijn.

Voorts is het zaak om zoveel mogelijk weg te lopen van het oude. Dat betekent jezelf er los van maken en het geen aandacht meer geven. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan want iedereen is met het systeem verbonden. Maar er zijn heel wat stappen te zetten, zowel praktisch als mentaal. Maak je economisch los, geef politiek geen aandacht, lees onafhankelijke media en verbind je met anderen die hetzelfde nastreven.

En ten slotte: wees geïnformeerd. Het is belangrijk om te begrijpen hoe het zit; hoe de uiteenlopende problemen waar we steeds vaker en heftiger mee geconfronteerd worden, symptomen zijn van een politiek-economisch systeem dat hardhandig tot de confrontatie met de ecologische en sociale realiteit wordt gedwongen. Dit soort helderheid geeft rust en richting.